De zeven sacramenten
De kerk definieert een sacrament als een directe handeling van Jezus Christus die teruggaat op het woord en het leven van Jezus Christus.
In de Katechismus van de Katholieke Kerk, canon 1131, staat dat de sacramenten werkzame tekenen van de genade zijn, ingesteld door Christus en toevertrouwd aan de Kerk, waardoor ons goddelijk leven verleend wordt.
De Kerk kent zeven sacramenten, namelijk de doop, de eucharistie, het vormsel, de biecht of het sacrament van de verzoening, de ziekenzalving of het heilig oliesel, de wijding en het huwelijk.
Het doopsel Het doopsel is het fundamentele sacrament van christelijke intitiatie, en maakt een mens tot lid van de Kerk, de gemeenschap van gedoopten; door het sacrament van het doopsel wordt een mens opnieuw geboren: hij begint een nieuw leven ‘in Christus'. De doop als sacrament stelt Christus pas in nadat hij gestorven en verrezen is. Zijn opdracht aan de Kerk is dan wel expliciet: "Ga, en maak alle volkeren tot leerling; doop hen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest." (Mattheus 28, 19).
Het doopsel drukt in de ziel van de dopeling een 'onuitwisbaar geestelijk merkteken'. Daarom ontvangt iemand het doopsel slechts één maal en kan het niet herhaald worden.
Doop van kinderen Er is in verschillende kerken nagedacht over de vraag of de kinderdoop eigenlijk wel een goede praktijk is. Is het niet veel beter te wachten tot het kind mondig genoeg is om zelf te beslissen of het gedoopt wil worden? In de katholieke traditie is het antwoord op die vraag eenduidig: neen. Uiteraard kan een kind nog niet geloven. Daarom kan en moet het worden gedoopt op grond van het geloof van de ouders of verzorgers. Omdat de ouders deel uitmaken van de plaatselijke geloofsgemeenschap, die weer onderdeel uitmaakt van de wereldkerk, is het uiteindelijk de gehele Kerk die met haar geloof garant staat als een kind wordt gedoopt.
Doopritueel De doop is in de traditie van de Kerk steeds met een rijk ritueel vormgegeven. De doop van kinderen geschiedt tegenwoordig met een ritueel dat de geest van het Tweede Vaticaans Concilie ademt. De kern van dat ritueel bestaat nu, net als vroeger, uit drie momenten: het zegeningsgebed over het water, de afzwering van het kwaad en de geloofsbelijdenis, en het doopsel.
Bedienaar Of het nu om het doopsel van volwassenen of om dat van kinderen gaat: onder normale omstandigheden is de bisschop, de priester of de diaken de bedienaar van het sacrament. Tegenwoordig kan een bisschop ook doopbevoegdheid aan een leek geven. In geval van nood kan eenieder die de juiste intentie heeft het doopsel bedienen. De juiste intentie bestaat uit de wil om in het doopsel de bedoeling van de Kerk tot zijn recht te laten komen, en te dopen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
De dopeling wordt tweemaal gezalfd: eerst met de olie van de geloofsleerlingen, dan volgt de doop. Dat kan ook door onderdompeling. Dan is het kindje bloot en wordt vervolgens gezalfd met chrisma (dezelfde olie die de bisschop gebruikt bij de toediening van het Vormsel). Dan wordt het kind bekleed met de Christus, een wit doopkleed. Tot slot wordt de doopkaars aangestoken aan de Paaskaars, symbool voor de Verrezen Heer. Hij is het Licht der wereld en de pasgedoopte moet ook een licht voor de wereld zijn!
Heil voor ongedoopten? De sacramentele doop met water is door Christus als onontbeerlijk middel tot heil van de gelovigen ingesteld. Maar wat dan van de ongedoopten: zijn deze mensen reddeloos verloren? Zeker niet. Gods genade is niet aan de sacramentele doop alleen gebonden.
De eucharistie De eucharistie is een heilige maaltijd, waarin christenen Jezus, de Zoon van God, herdenken. Door Hem in herinnering te roepen, komt Hij in hun midden. De avond voor zijn dood hield Hij voor zijn leerlingen een afscheidsmaal. Om duidelijk te maken dat zijn naderende dood een offer was, nam Hij brood en wijn, sprak erover een dankgebed uit en gaf het aan zijn leerlingen met de woorden: “Eet van dit brood, het is mijn lichaam; drink uit deze kelk, want het is mijn bloed, dat voor jullie vergoten wordt. Blijf dit doen om Mij te gedenken.” Telkens als christenen eucharistie vieren, doen zij dus wat Jezus zijn leerlingen heeft opgedragen.
De belangrijkste eucharistieviering vindt 's zondags plaats. Ze kan echter iedere dag gevierd worden.
Oorsprong De eucharistie is niet te begrijpen zonder kennis te nemen van bepaalde passages uit de bijbel. In het Nieuwe Testament staat dat Jezus de eucharistie heeft ingesteld. Dat deed hij tijdens het joodse paasmaal dat Hij vierde op de avond voor zijn lijden en sterven. De instelling van het joodse paasfeest staat beschreven in Exodus. Dit oudtestamentische boek verhaalt van de verlossing van het volk Israël uit de Egyptische slavernij en het verbond dat God bij die gelegenheid met Israël sloot. In de eucharistie wordt gevierd dat Christus de uiteindelijke verlosser is en dat Hij met zijn bloed een nieuw verbond heeft bekrachtigd.
Liturgie De eucharistie wordt gevierd. Het is dus eigenlijk een feest. Jezus wordt niet alleen herdacht, maar ook feestelijk geroemd. Een feest kan niet zonder rituelen. Die zorgen ervoor dat de viering zich onderscheidt van gewone bijeenkomsten. De eucharistie is geen gewone bijeenkomst, maar een heilige aangelegenheid, waarvoor je in een bepaalde stemming moet zijn. In de loop van de geschiedenis heeft de eucharistieviering verschillende vormen aangenomen. Toch is er bijna tweeduizend jaar niet afgeweken van een bepaalde structuur. Altijd werd er voorgelezen uit de Bijbel; altijd werden er brood en wijn op een tafel geplaatst; altijd bad een priester namens de hele gemeenschap een plechtig gebed tot God; altijd veranderde het brood en de wijn in het Lichaam en Bloed van Christus; en altijd vond er een communie plaats, waarbij het brood werd gegeten en de wijn gedronken.
Betekenis Over de betekenis van het sacrament van de eucharistie is in de loop der eeuwen veel gezegd en geschreven. De Katholieke Kerk heeft altijd vastgehouden aan deze overtuiging: wie gelovig deelneemt aan de eucharistie neemt deel aan het goddelijk leven.
Het vormsel Het sacrament van het vormsel sterkt (confirmatio) de gedoopte door handoplegging met de kracht van de Heilige Geest, en bezegelt door zalving dat hij op Christus gelijkt; daarmee voltooit het vormsel de in de doop begonnen christelijke initiatie.
Woorden van Christus Christus heeft voor de tijd na zijn dood de komst en tegenwoordigheid van de Heilige Geest beloofd. Zijn belofte ging onder meer in vervulling op het feest van Pinksteren toen de Geest over de apostelen werd uitgestort. Christus zelf heeft over de werking van de Heilige Geest aan de apostelen gezegd: "Wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en mijn getuigen zijn in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, en tot het uiteinde van de aarde." (Handelingen 1,8)
Handoplegging door apostelen De apostelen, zo lezen we in het Bijbelboek Handelingen, gingen ertoe over om zelf de Heilige Geest in de christelijke gemeenschappen door te geven door middel van handoplegging. Een mooi voorbeeld van de praktijk van de apostelen is de handoplegging in Samaria: "Toen de apostelen in Jeruzalem hoorden dat Samaria het woord van God had aanvaard, stuurden ze Petrus en Johannes naar hen toe. Zij gingen daarheen en baden voor hen dat ze de Heilige Geest mochten ontvangen, want die was nog op niemand van hen neergedaald. Ze waren alleen gedoopt in de naam van de Heer Jezus. Daarop legden ze hun de handen op en zij ontvingen de Heilige Geest." (Handelingen 8, 14-17)
De handoplegging en de zalving In het vormsel ontvangt de gedoopte door handoplegging de gave van de Heilige Geest, waardoor hij wordt gesterkt in zijn geloof en een zendingsopdracht krijgt. Dat is de eerste betekenis van het sacrament. De andere betekenis ligt in een zalving die het verbond tussen gedoopte en Christus bezegelt.
Eenmalig Het vormsel zet een zegel, dat onuitwisbaar is. Een mens kan daarom slechts eenmaal in zijn leven worden gevormd.
Leeftijd De leeftijd waarop het vormsel wordt bediend is tegenwoordig per bisdom verschillend. De Nederlandse Bisschoppenconferentie heeft als algemene norm aangegeven dat de bediening zou moeten liggen rond het twaalfde levensjaar.
De biecht De biecht wordt ook wel boetesacrament, sacrament van de vergeving of sacrament van boete en verzoening genoemd. De biecht is gebaseerd op de woorden die Jezus Christus heeft gericht tot zijn apostelen op de dag van zijn verrijzenis : "Wier zonden gij vergeeft, hun zijn ze vergeven, wier zonden gij niet vergeeft, hun zijn ze niet vergeven." (Joh. 20, 23)
De ziekenzalving De ziekenzalving of het heilig oliesel wordt door de priester toegediend aan zieken. Zij worden op het voorhoofd en op de handen (in oude ritus op voorhoofd, neus, oren, ogen, mond, handen en soms voeten) gezalfd met speciaal hiervoor gezegende pure olijfolie. Bij deze zalving worden de volgende woorden uitgesproken: Per istam sanctam unctionem et suam piissimam misericordiam adiuvet te Dominus gratia Spiritus Sancti, ut a peccatis liberatum te salvet atque propitius allevet. "Moge onze heer Jezus Christus door deze heilige zalving en door Zijn liefdevolle barmhartigheid u bijstaan met de genade van zijn heilige Geest. Moge Hij u van zonden bevrijden, u heil brengen en verlichting geven".
Het Bijbels fundament van dit sacrament is gebaseerd op de brief van Jacobus: Is iemand onder u ziek? Laat hij de presbyters van de gemeente roepen; zij moeten een gebed over hem uitspreken en hem met olie zalven in de naam des Heren. En het gelovige gebed zal de zieke redden en de Heer zal hem oprichten. En als hij zonden heeft begaan, zal het hem vergeven worden. Belijdt daarom elkander uw zonden en bidt voor elkaar, opdat gij genezing moogt vinden. (Jac. 5, 14-16).
De wijding Sacrament dat door handoplegging en gebed van de bisschop de persoon machtigt tot uitoefening van het ambt van geloofsverkondiging en toediening van de sacramenten en bestuur.
Het wetboek van de Katholieke Kerk omschrijft het sacrament als volgt:
Door het wijdingssacrament worden krachtens goddelijke instelling sommigen onder de christengelovigen, door een onuitwisbaar merkteken getekend.
Er bestaan drie soorten van wijdingen, namelijk die van bisschop, priester en diaken. De wijding wordt toegediend door oplegging van de handen en door het wijdingsgebed, zoals voorgeschreven in de liturgische boeken.
De bedienaar van de wijding is de gewijde bisschop (Codex c.1012) en alleen een gedoopte man ontvangt geldig de heilige wijding (Codex c.1024).
Het huwelijk Het christelijk huwelijk heeft een onverbrekelijk karakter, immers “wat God heeft verbonden, kan een mens niet scheiden”.
Het kerkelijk recht schrijft voor dat namens de kerk de priester van de parochiekerk als getuige optreedt bij het huwelijk tussen bruid en bruidegom. Dit kan ook verricht worden door een andere priester of diaken, mits deze hiervoor zijn gemachtigd door de priester van de eigen parochiekerk (dit wordt "dispensatie" genoemd). In de meeste gevallen vindt de kerkelijke huwelijksviering plaats binnen een eucharistieviering, maar dit is niet verplicht. Het huwelijk met een eucharistie is enkel op zijn plaats als het bruidspaar ook in het gewone leven de eucharistie waardeert als de bron van hun christelijk leven.
In de katholieke huwelijksmis zitten bruid en bruidegom dichter bij het altaar dan de rest van de gelovigen. De huwelijkssluiting vindt plaats vóór de misviering zelf. De priester zegent de ringen met wijwater. Man en vrouw nemen elkander aan als echtgenoten, schuiven de ring over de ringvinger van de linker hand, en worden nogmaals gezegend.
|